Evenals een moede hinde
naar het klare water smacht,
schreeuwt mijn ziel om God te vinden
die ik ademloos verwacht.
Ja, ik zoek zijn aangezicht,
God van leven, God van licht.
Wanneer zal ik Hem weer loven,
juichend staan in zijn voorhoven?
Tranen heb ik onder 't klagen
tot mijn spijze dag en nacht,
als mijn haters honend vragen:
"Waar is God die Gij verwacht?"
Ik gedenk hoe ik vooraan
in de reien op mocht gaan,
om mijn dank Hem op te dragen
in zijn huis op hoogtijdagen.
Hart onrustig, vol van zorgen,
vleugellam geslagen ziel,
hoop op God en wees geborgen:
Hij verheft wie nederviel.
Eens verschijn ik voor de Heer,
vindt mijn ziel het danklied weer.
Hij, mijn God, Hij heeft mijn leven
dikwijls aan de dood ontheven.
Ziel, gekerkerd in verlangen,
balling ver van waar God woont,
houden bergen mij gevangen,
waar uw heerlijkheid niet troont.
Watervloed roept watervloed.
Aller diepten euvelmoed
heeft Hij met geweld bedolven,
al uw baren, al uw golven!
Laat zijn trouw de dag verblijden
en zijn lied de duisternis.
Tot Hem roep ik in mijn lijden
die de God mijns levens is:
vaste grond van mijn bestaan,
waarom ziet Gij mij niet aan?
Moet ik onder 's vijands slagen
thans dit somber rouwkleed dragen?
God, dit zal mijn hart doorboren,
dit gaat mij door merg en been:
van mijn vijand moet ik horen:
"God is ver, gij staat alleen."
Honend vraagt men dag en nacht:
"Waar is God die gij verwacht?"
In verdrukking moet ik leven,
door mijn vijanden omgeven.
Hart, onrustig vol van zorgen,
vleugellam geslagen ziel,
hoop op God en wees geborgen:
Hij verheft wie nederviel.
Eens verschijn ik voor de Heer,
vindt mijn ziel het danklied weer:
Hij, mijn God, Hij heeft mijn leven
altijd aan de dood ontheven.