Het was de avond voor Kerst. Langzaam en voorzichtig dwarrelden de eerste sneeuwvlokken naar de aarde. Een klein huisje, aan de rand van het bos, zag er rustig en vredig uit. Af en toe kwamen een paar kleine konijntjes de rust verstoren doordat ze tussen de afgevallen bladeren naar eten zochten. Binnenin het kleine huisje zat een man voor het raam naar buiten te staren. Alsof hij op iets wachtte.
Behalve de man, waren er nog twee mensen in de kamer. Het waren de dochters van de man, die beiden in hun Bijbel aan het lezen waren. De jongste was dertien jaar en heette Marieke, en de oudste was vijftien jaar en heette Leslie. De beide meisjes lazen graag in de Bijbel die ze van hun moeder hadden gekregen, maar de vader begreep niet wat daar nu voor interessants aanwas.
Eigenlijk ergerde hij zich een beetje aan het leesgedrag van zijn dochters. Dit kwam niet alleen omdat ze eigenlijk te arm waren geweest om twee Bijbels te kopen, die hij, als houthakker eigenlijk niet kon betalen, maar zijn ergernis kwam eigenlijk nog meer voort uit het feit dat hij zelf niet kon lezen. Af en toe keken de meisjes om de beurt op en vroegen: Wil je eens horen wat ik aan het lezen ben, pap? En bij elke keer antwoordde de vader geïrriteerder: Nee, wat moet ik met die onzin!
Na een tijdje vroegen de meisjes of ze nog even een eindje mochten gaan wandelen. De houthakker gromde een beetje en knikte 'ja'.
Ondertussen was het harder gaan sneeuwen, en om te voorkomen dat ze zouden verdwalen, namen de meisjes een wandelpad dat ze kenden. Marieke en Leslie liepen stilzwijgend naast elkaar, maar dachten allebei aan hetzelfde. Ach, ze begrepen het gedrag van hun vader ook wel een beetje. Hij was zo boos en verdrietig sinds hun moeder vorig jaar was overleden. Hij was boos op God en de rest van de wereld.
Toen de meisjes al een flink eind van huis waren stak er ineens een strenge wind op. De zusjes schrokken op uit hun mijmeringen en keken elkaar aan. Ze wisten heel goed wat dit kon betekenen, want in dit gebied kon je bij dit weer makkelijk verdwalen. Ze draaiden zich om en zetten er flink de pas in, naar huis.
Maar amper halverwege veranderde de strenge wind in een storm, en ze moesten tot hun schrik vaststellen dat ze waren verdwaald. Leslie werd overvallen door angst en begon te huilen, maar Marieke troostte haar grote zus en zei:Rustig maar, Leslie, het komt allemaal wel weer goed. Maar ik denk niet dat we verder moeten lopen. Stel je voor dat we nog verder verdwalen. Hier, we wachten op deze boomstronk en dan komt er vanzelf wel hulp. Ze sloeg haar arm om haar zuster. En zo zaten ze daar, dicht bij elkaar gekropen om elkaar een beetje warm te houden.
Ondertussen was de sneeuwstorm nog heviger geworden, en het leek alsof de vlokken een wedstrijdje aan het doen waren om wie het eerst beneden zou zijn. Leslie huilde, en Marieke was zachtjes aan het bidden.
Opeens werd hun omgeving sterk verlicht. De meisjes keken geschrokken op, maar ze konden niet ontdekken waar dat heldere licht vandaan kwam. Toen hoorden ze een Stem:Wees niet bang, Leslie en Marieke, hulp is onderweg.
Zo snel als het licht gekomen was, zo snel was het ook weer weg. De meisjes verbijsterd achterlatend. Wat zou dat geweest zijn? vroeg Marieke. Ik weet het niet, antwoordde Leslie, maar ik ben bang.
Weer een stem, maar dit keer zonder licht: Leslie! Marieke! Het was de stem van hun vader!
Pap! We zijn hier! riepen de meisjes zo hard hun stem hun boven het geloei van de storm kon dragen.
O, God zij dank! Ik heb jullie gevonden! riep hun vader toen hij binnen het bereik van de meisjes gekomen was. ik was zo bezorgd!
Pap, zei Marieke hoort u wel wat u zegt? God zij dank?
Ja lieverd, antwoordde haar vader, want ik weet dat God de hand had in dat ik jullie zou vinden. Ik was naar jullie op zoek, en riep in wanhoop naar Hem. Net toen ik het pad linksaf naar de oude molen wilde nemen, zag ik een eind voor mij ineens een helder licht. Ik wist niet wat het was, maar voelde gewoon dat ik daar zijn moest, en niet het pad linksaf moest nemen. Het spijt me zo dat ik jullie het afgelopen jaar zoveel te kort heb gedaan. Ik was zelf zo bezig met mijn eigen verdriet, dat ik jullie pijn niet zag. Het was niet alleen mijn vrouw, maar ook jullie moeder die overleden is. Kunnen jullie mij vergeven alsjeblieft?
De meisjes wierpen zich in hun vaders armen en riepen blij:Tuurlijk pap. We houden toch van jou?
Oke, zei vader, dan gaan we nu naar huis. En ik hoop dat, wanneer jullie weer een beetje zijn bijgekomen van de schrik, dat jullie dan nog genoeg energie hebben om mij het Kerstverhaal uit de Bijbel voor te lezen. Tenminste
als jullie nog willen.
De meisjes keken elkaar aan, en er kwam een brede lach op hun gezicht. Tegelijkertijd zeiden ze: Altijd pap! Gezegend Kerstfeest.
Dat wordt het zeker, antwoordde vader