Wie ben je, kleine baby? Wie ben je, klein Christuskind, die daar zo stil ligt in het kribbestro? Wie ben je, dat engelen de boodschap van jouw aanwezigheid brengen en sterren je geboorte aankondigen? Dat koningen en herders, hoog en laag, voor je buigen? Wie ben je, kind van Betlehem, zoon van David? Wat is jouw toekomst? Wat is jouw belofte?
Zeven eeuwen voor je geboorte werd er al over jou gesproken in de geschriften:
Wat is deze heerschappij? Wat is deze vrede, O Kerstkind? Ben je een strijder? Ben je een koning? Wat is die gerechtigheid?
Hoe kun je een Sterke God zijn, terwijl de wind door de staldeur het stro optilt en in je fijne haar blaast? Hoe kan dit?
Hoe kun je een Eeuwige Vader zijn terwijl je nog maar net een uur oud bent? Hoe kan dit?
Hoe kun je een Wonderbare Raadsman zijn terwijl je nog nooit bent onderwezen? Wat is de bron van jouw wijsheid?
Wat is dit mysterie, raadselachtige pasgeborene, liggende in een stal, uit arme ouders geboren en toch voorbestemd voor al dit Groots?
Jij moet Diegene zijn op wie we gehoopt hebben, ons leven lang naar verlangd hebben. Diegene die ons bevrijd van depressie en onderdrukking, van binnen en van buiten.
Is het een wonder dat engelen grote blijdschap verkondigden? Is het een wonder dat er een grote hemelse legermacht God loofde, zeggende:
Wees mijn rust, O Vredevorst. Laat uw zachte, tedere vrede als een warme deken op mij rusten.
Wees mijn Heer, O Christus. Regeer niet alleen over mijn hart, maar ook over deze wanhopige wereld waarin wij leven.
Wees mijn Eeuwige Vader en mijn Wonderbare Raadsman. Laat uw Woord mij leiden uit verwarring en beroering in het zonlicht dat altijd schijnt achter mijn soms dichte wolken.
Welkom, Christuskind. Mijn hele leven heb ik U nodig gehad. O Kind van Belofte, op deze Kerstochtend geef ik U mijn hart. Amen